Noa Wassink

Ik Heb Met Je Te Doen


 
Fotoserie
Tijdens een reis door India werd ik geconfronteerd met armoede. Het contrast tussen arm en rijk is hier groot. Een vrouw smeekte mij om geld, terwijl ik voor haar stond met mijn iPhone en fotocamera. Er was mij verteld dat ik in dit soort situaties geen geld mocht geven, dus ik loog dat ik niks bij me had. Het gevoel van schuld en schaamte was groot. De lokale bevolking keek naar mij op, vooral omdat ik uit het Westen kwam. In haar ogen heb ik alleen daarom al een groot voorrecht.
Sorry, ik heb geen kleingeld bij me.
Nee, sorry.
Sorry, ik heb haast.
“Je bent arm als je niet in het openbaar kunt lopen zonder schaamte”, zo omschreef de Schotse filosoof Adam Smith het begrip armoede. De ongelijkheid tussen arm en rijk is een groot probleem dat moeilijk is op te lossen. De rijken worden als- maar rijker en de armen worden armer. Wereldwijd heeft één op de zes mensen geen fatsoenlijk dak boven het hoofd. Deze mensen hebben vaak geen andere keus om te overleven dan door te bedelen. In mijn project Ik heb met je te doen zet ik arm en rijk tegenover elkaar vanuit het perspectief van de rijke westerling. Hoe reageren wij wanneer we worden geconfronteerd met armoede? Sluiten we onze ogen, of bekommeren we ons om deze groep mensen?

We hebben vaak de neiging om bedelaars te ontlopen of te negeren. De confrontatie vinden wij ongemakkelijk, maar tegelijkertijd voelt het niet goed om oogcontact te vermijden. In ons achterhoofd weten we dat de bedelaar zich waarschijnlijk meer geneert dan wij. Dus wat maakt dat wij er alsnog voor kiezen de confrontatie te ontlopen en ons hoofd weg te draaien? Als je het niet ziet, is het er ook niet, toch?

Tegelijkertijd worden ontwikkelingslanden ook beschouwd als toeristische attracties. We ontmoeten er de plaatselijke bevolking, doen er vrijwilligerswerk en doneren geld en spullen. Wanneer we naar ons veilige thuis terugkeren met onze foto’s en herinneringen, geeft dit ons een voldaan gevoel, waarna we weer verder gaan met ons eigen leven. We voelen ons goed, terwijl onze hulp en donaties zich in werkelijkheid niet richten op de kern van het probleem, en dus niet echt een wezenlijk verschil maken. Doen we dit echt voor de ander? Of toch meer voor onszelf? Wat maakt dat wij ons voldaan voelen in zo’n situatie, en on- gemakkelijk wanneer een bedelaar ons direct om geld vraagt?

Ik heb met je te doen toont typische citaten van voorbijgangers tijdens de confrontatie met een bedelaar. Hoe reageer jij in een vergelijkbare situatie? Keer jij een bedelaar de rug toe of ga je het gesprek aan?

Utrecht, mei 2020

Meer werk: